Schaatsgeschiedenis Thialf

Als het aan de KNSB ligt, komt er een einde aan Thialf als nationale en internationale schaatstempel. Voortaan moet de nog te bouwen “Ice-dome” in Almere onze nationale schaatstrots worden.

Als Thialf inderdaad voltooid verleden tijd wordt, komt daarmee een einde aan 123 jaar internationale schaatsgeschiedenis in Heerenveen. De in 1855 opgerichte, inmiddels Koninklijke Thialf organiseerde al in 1890 internationale wedstrijden. Vanaf 1967 gebeurde dat op kunstijs, vanaf 1987 in de huidige overdekte ijshal. Lees en bekijk hier de geschiedenis van het hardrijden op de schaats in het Friese Haagje.

Famkes

Hardrijderij voor ongehuwde Friezinnen, Leeuwarden 21 januari 1809 (aquarel Nicolaas Baur) NB: Let ook op het zuipen en vechten links op de voorgrond!

De Heerenveense ijsvereniging “Thialf” is één van de oudste ijsclubs van ons land. De club werd op 15 februari 1855 opgericht en voor zover bekend hadden toen alleen Harlingen en Leeuwarden al een officiële ijsclub. Ook in Heerenveen wilde men destijds vooral een geregistreerde vereniging om een einde te maken aan de chaos rond de organisatie van de razend populaire maar alom bekritiseerde kortebaanwedstrijden. Herbergiers, kasteleins en baanvegers beconcurreerden elkaar in die zo seizoensgebonden maar uiterst lucratieve branche. Er werd rond de wedstrijden immers volop gezopen en gegokt. De rijders speelden het spel even hard mee. De uitdrukkig “parten en delen” danken we aan de corruptie die de kortebaan van oudsher heeft omgeven.

En dan waren er nog de “famkes”….. Ook die waren graag geziene deelnemers aan de kortebaan, niet in het minst omdat ze tijdens de korte maar inspannende ritten over ca. 140 meter vaak “al hunne bovenklederen” aflegden en in ondergoed over de baan vlogen. Zo’n “peepshow avant-la-lettre” trok natuurlijk enorm veel publiek maar de kritiek van zedenmeesters en gegoede burgerij zorgde voor felle protesten.

“IJsvereniging Thialf” zou daar vanaf 1855 als eerste Friese dorpsclub in één keer een einde aan maken en bijdragen aan wat als de “veredeling” van de volkscultuur werd gezien. Omdat de eerste ledenlijst bewaard is gebleven, weten we dat er zich onder de 65 mannen -vrouwen mochten wel schaatsen maar niet besturen- van het eerste uur vier logementhouders bevonden, twee kasteleins, drie schippers en 13 kooplieden bevonden, maar ook twee officieren van justitie, een kantonrechter, een wethouder en een lid van Gedeputeerde Staten bevonden. Precies het gezelschap dat het ijsvermaak een modern gezicht zou moeten geven.

Dat ijsclubs in onderling georganiseerd verband ook de chaos onder de wild opererende baanvegers aan zou kunnen pakken en zo voor goed geveegde  openbaar toegankelijke ijswegen konden zorgen was een aspect dat in de loop van de 19e eeuw al snel een minstens zo belangrijke ontstaansbron voor ijsclubs zou worden.

Opmerkelijk was de naam van de nieuwe ijsclub. “Thialf” was destijds een vrijwel onbekende figuur uit de Germaanse mythologie, het hulpje van de Scandinavische halfgod Thor. De associatie met kou, ijs en sneeuw moet de bestuurders warm hebben gemaakt voor de originele naam, die ruim anderhalve eeuw later een begrip in de schaatswereld is geworden.

Aderlating

Joe Donoghue, de winnaar van de 1e internationale wedstrijden op Thialf in 1890 (foto collectie auteur)

Thialf is in 1882 ook betrokken bij de oprichting van wat toen nog “Het Nederlandsch Schaatsenrijders Bond” heet. Bedoeling van die bond is om -nieuwste uit Engeland overgewaaide mode!- internationale wedstrijden te organiseren voor amateurs over langere afstanden en op tijd. In 1885 wordt op de Groote Wielen bij Leeuwarden voor het eerst zo’n wedstrijd gehouden en daarmee geldt dat jaar als de geboorte van het officiële langebaanschaatsen in Nederland.

In december 1890 krijgt Thialf de kans om voor het eerst zelf internationale wedstrijden te organiseren. Geheel in stijl met het langzame kerende tij in de schaatssport staan er wedstrijden voor amateurs én profs op het programma. De oude kortebaanrijderij kun je volgens de “cultuurveredelaars” immers maar beter incorporeren dan “wild” en ongecontroleerd voort laten bestaan. Groot geluk voor de schaatsvernieuwers is de langverwachte en veelbesproken komst van de Amerikaanse superkampioen Joe Donoghue. In 1889 was hij al als 18-jarige naar het eerste officieuze wereldkampioenschap in Amsterdam gekomen, waar hij een “onbeslist” had weten te behalen tegen de sterkste amateurschaatser van dat moment, de Rus Alexander von Panschin. Bijna drie jaar later was Donoghue, die voor het eerst op hoge Noorse schaatsen met vaste schoen reed, op het toppunt van zijn kunnen ende grote favoriet voor de -nog steeds officieuze- titelstrijd die opnieuw in Amsterdam zou plaatsvinden.

Op de “Tjalleberder Petten”, waar de ijsbaan was aangelegd, stelde de Amerikaan niet teleur. Ondanks een lange treinreis uit Davos, waar hij op de later beroemd geworden hooglandijsbaan getraind had, won hij de strijd om het “Meesterschap van Nederland” met groot gemak. De Duitsers Landahl en Hille waren geen partij voor hem, en ook het Haarlemse trio Klaas Pander, Jaap Houtman en niemand minder dan Pim Mulier konden hem bij de strijd over één en drie mijl geen partij geven.

Helaas is het op de dagen van de strijd bitter koud in Friesland. De winter zou niet voor niets dankzij schrijver Herman de Man de geschiedenis ingaan als “De barre winter van negentig.” Desondanks kwamen er duizenden toeschouwers op af: een Engelse bron spreekt zelfs van 50.000 toeschouwers, maar dat lijkt sterk overdreven. Toch schreef Thialf met de organisatie van deze wedstrijden geschiedenis. De ijsbaan, de voorzieningen, de organisatie: in alle kranten werd alom de loftrompet geblazen over de meest sfeervolle en sportieve schaatswedstrijden die ons land totdan toe heeft gezien.

Financieel waren de wedstrijden helaas geen succes. Omdat de profs (de Fries Klaas Hanje won de kwart mijl en verdiende daarmee 250 gulden, de Brit James See won de mijl en incasseerde liefst 600 gulden) met vette geldprijzen aan de haal gingen, noteerde de Thialf-penningmeester: “Het was een aderlating tot bezwijmens toe.”

Parten en delen

Het NK Schaatsen van 1946 in Heerenveen

Dat het langebaanschaatsen voor amateurs de toekomst heeft, beseft niet alleen de penningmeester van Thialf. De Heerenveense ijsclub toont zich daarmee de meest vooruitstrevende Friese ijsclub, want de meeste clubs in de provincie blijven zich vooral met de dubieuze kortebaan bezighouden, zelfs als blijkt dat de dubieuze praktijken van “parten en delen” onuitroeibaar blijken.

Als in 1892 in het Scheveninger Kurhaus op initiatief van Pim Mulier de Internationale Schaats Unie wordt opgericht, is ook Thialf-voorzitter Van Heloma van de partij. Als lid van de Technische Commissie heeft hij grote invloed op het vaststellen van de reglementen en de baanlengtes. Een baan van 400 meter is dan nog geen standaard, maar wel wordt vanaf het begin bepaald dat langebaanwedstrijden in paren gereden moeten worden en op tijd.

Bij gebrek aan concurrentie krijgt Thialf op de langebaan vrijwel een Fries monopolie. Vanaf 1893 tot 1956 worden 14 van de 21 Friese kampioenschappen op de banen van Thialf verreden. Ook de nationale kampioenschappen vinden in deze periode drie keer in Heerenveen plaats: in 1933 wint Dolf van der Scheer op Heerenveens natuurijs de nationale titel, in 1946 is de Elfsteden co-kampioen van 1940 Piet Keijzer de sterkste en in 1955 wint Gerard Maarse in Heerenveen het kampioenschap. Zelfs internationaal timmert Thialf in deze periode nogmaals aan de weg. In 1954 doen twee Noorse rijders mee aan de tweede internationale schaatswedstrijden in Heerenveen, die onder grote publieke belangstelling gewonnen worden door Kees Broekman.

Al deze wedstrijden vonden plaats in het veengebied de “Tsjalberter Petten” ten noorden van het dorp. In 1894 kocht Thialf in dit gebied voor 1100 gulden een stuk water, riet en land van zeseneenhalve hectare aan voor en eigen ijsbaan. Tot de bouw van de kunstijsbaan in 1966 werd dit terrein jaarlijks op 1 november onder water gezet, in hoopvolle verwachting van Koning Thialf.